Geschiedenis : Van limoenade tot frisdrank

Frisdranken bestaan al honderden jaren. Vermoedelijk is men in de 17e eeuw in Italië begonnen met het verkopen van dranken, bestaande uit limoensap (een soort citroensap), suiker en water. Deze drank werd limoenade genoemd. Zij werd verkocht in ijssalons, waar men goed wist hoe je limoenade moest koelen.

Aan het eind van de 18e eeuw heeft de Engelse scheikundige Priestley ontdekt hoe je koolzuurgas (CO2), aan water kon toevoegen. Deze ontdekking, gecombineerd met de kennis van de limoenademakers, betekende het begin van de frisdrankenindustrie. In 1776 werd de eerste 'frisdrankenfabriek' geopend door de Zweed Gahn (de Nya Mineralvatten Fabrik). Er konden drie flesjes per uur worden geproduceerd!

Lange tijd werden frisdranken alleen door de meer welgestelde mensen gedronken en dan nog alleen maar in de zomermaanden. De consumptie kwam pas goed op gang na de Tweede Wereldoorlog dankzij de Amerikaanse en Canadese bevrijders, die hun ‘soft drinks’ mee naar Europa brachten. Het woord ‘frisdrank’ werd door de Nederlandse frisdrankenindustrie in 1956 in ons land geïntroduceerd. In korte tijd is het een begrip voor iedereen geworden.

Frisdranken werden pas echt populair in de jaren zestig, toen ze uitgroeiden tot snelle dorstlessers, die overal en altijd kunnen worden gedronken. De consumptie is vanaf die tijd sterk gestegen: in 1960 dronk men 13 liter per persoon per jaar, in 1970 was dit al 55,5 liter. Inmiddels is de frisdrankconsumptie in Nederland toegenomen tot circa 89 liter per hoofd van de bevolking.

In het begin van de jaren tachtig is de term ‘light’ in Nederland geïntroduceerd door de frisdrankenindustrie. Het gaat hier om frisdranken die veel minder energie leveren doordat de suiker geheel of gedeeltelijk is vervangen door calorievrije zoetstof. Tegenwoordig bestaat circa 18% van de totale hoeveelheid frisdranken die in Nederland wordt gedronken uit light-frisdranken.